Warande Tuinadvies
historische tuinen en parken

Trudi Woerdeman

Willem Overmars

Historische studies
herstel en ontwerpplannen

Historisch onderzoek
werkwijze

Stinzenbeplanting

Stijltuinen

Moestuinen

Publicaties tuinhistorie

Historische kaartcollectie
(externe link)

Warande | Open Tuin en Kalender | Tuinontwerp
Parkherstel | Webshop | Contact | Omgeving | Deutsch

Stinzenbeplanting

Stinzenbeplanting in historische tuinen en parken
Stinzenplanten horen bij buitenplaatsen. Ze vormen een bijzondere groep verwilderende sierplanten, vooral in het voorjaar bloeiende bol- en knolgewasjes. Op vele Nederlandse buitenplaatsen zijn stinzenplanten eeuwen geleden geplant en verzorgd. Ze zijn verwilderd en massaal ingeburgerd.
Tot deze groep wordt onder andere gerekend: sneeuwklokjes, sterhyacinten; bosanemonen; vingerhelmbloem; holwortel; boshyacinten; lelietje van dalen. Ze zijn te zien in het fotoalbum stinzenplanten op de Warande.
De naam wordt voor het eerst gevonden in beschrijvingen van oude Friese 'stinzen' (Fries voor 'stenen huis') in de dertiger jaren van de vorige eeuw. Stinzenplanten beperken zich niet tot Friese stinzen of staten. Op vele plekken in Nederland worden op buitenplaatsen stinzenplanten aangetroffen.
Vanuit de tuinhistorie gezien kan men concluderen dat stinzenplanten op buitenplaatsen bijna altijd van buiten zijn aangevoerd en aangeplant. Soms van dichtbij gehaald uit het wild, en soms van ver weg, zoals de Oosterse sterhyacint uit Rusland. Op buitenplaatsen, waar stinzenplanten massaal staan, is dat altijd een gevolg geweest van langdurig en soms intensief onderhoud in het verleden. Op deze plekken kunnen ze zich handhaven, vermeerderen en inburgeren, zelfs bij minder onderhoud.

Tuinhistorie
Stinzenplanten horen bij de landschapstuin. De landschapstuin - of het landschapspark - werd in Engeland uitgevonden in het midden van de achttiende eeuw. Tussen 1780 en 1880 zijn in heel Europa, ook in Nederland, formele tuinen veranderd in landschapsparken. Vanaf ca. 1780 werden er langs de paden, die zich door graslanden en parkbossen slingerden, onder andere ook 'stinzenplanten' aangeplant, náást vele andere vaste planten en bloeiende heesters. Veel planten van toen zijn allang weer verdwenen, maar het is goed voorstelbaar, dat de sterkere, ongecultiveerde 'stinzenbollen' zich tot op de dag van vandaag hebben weten te handhaven.
Rond 1870 breekt een tweede fase aan voor het gebruik van stinzenplanten. Maar er werd totaal anders mee getuinierd. Voor het eerst werd gekeken naar de weelderige, massale bloei van deze 'verwilderingsbollen' in samenhang met hun natuurlijke biotoop. Het zijn de tuinschrijvers William Robinson en Gertrud Jekyll, die deze nieuwe tuintrend om veel natuurlijker te gaan tuinieren, in gang zetten. Dit was een internationale trend, die in Engeland, Duitsland, Frankrijk en Nederland zijn intrede deed. Dit was dan ook de tijd, dat vele stinzenplanten massaal in historische parken werden aangeplant.

Het stinzenmilieu op Nederlandse buitenplaatsen: een uniek ecosysteem
Voor Nederland is het voorkomen van stinzenplanten op buitenplaatsen in zekere zin 'unieker' dan in het buitenland. We kennen hier haast geen natuurlijke stinzenmilieu's, met uitzondering van de hellingbossen in Zuid Limburg. In Nederland zijn stinzenplanten bijna geheel aangewezen op de buitenplaatsen en nog op enkele andere historische plekken, zoals tuinen van pastorieën, herenboerderijen, kloosters, kerkhoven en stadswallen. Buiten deze historische plekken komen zij bijna niet in het wild voor. Buitenplaatsen zijn immers vaak gelegen op kalk- en voedselrijke, leemhoudende gronden, op overgangen van arme naar rijkere grond, waardoor buitenplaatsen zo geschikt zijn voor stinzenplanten. Van nature zijn dit de plekken waar de rijke plantengemeenschap van het essen-iepenbos voorkomt.

Deze bijzondere combinatie van stinzenplanten en buitenplaatsen hangt niet alleen hiermee samen, maar ook met het feit, dat er op buitenplaatsen druk getuinierd en gemest wordt met bladaarde en puinkalk. Door dit gedurende eeuwen constant gevoerde beheer wordt een kunstmatig stinzenmilieu gecreëerd: een voedsel- en humusrijke bodem waarin een zekere mate van lichte - antropogene - dynamiek heerst. Hier krijgt de stinzenflora optimaal de kans om zich uit te breiden.
Door de jaren heen hebben stinzenplanten zich zo - ook genetisch - kunnen aanpassen aan de specifieke omstandigheden van de buitenplaats.
Bij het staken van het beheer op de buitenplaats zal het stinzenmilieu te ruig en te donker worden. Er komt schaduw en teveel blad. 'Verbraming' en 'verklimopping' slaan toe. Veel stinzenplanten gaan achteruit en verdwijnen.
Wil men de unieke combinatie van buitenplaats en stinzenplanten behouden, dan betekent dat er weer een goed beheer opgestart moet worden. Meer over het beheer in het boek 'Tuinieren met stinzenplanten'.
Met het behoud van de stinzenplanten op onze buitenplaatsen door een doeltreffend beheer, stelt men ook het genetisch bronmateriaal veilig.

Doeltreffend beheer en verantwoorde aanplant van nieuwe stinzenplanten op historische plekken verhoogt de historische, ecologische én esthetische waarde
Het goed beheren van bestaande stinzenbeplanting en het verantwoord bijplanten van nieuwe stinzenbollen, is wel een van de meest effectieve en in feite goedkope maatregel die een historische plek nieuw leven kan inblazen. Dit verhoogt de ecologische en historische waarde aanzienlijk. Ook in esthetisch opzicht krijgt de plek een hoge belevingswaarde. Een weelde van bloeiende tapijten in het voorjaar geeft hier een nieuwe, betoverende kracht.

Weet wat je doet
Wie nieuwe stinzenplanten op buitenplaatsen wil aanplanten, moet wel weten hoe dat doet. Maar al te vaak worden er lukraak teveel soorten bollen besteld die her en der geplant worden, soms dwars door bestaande stinzenbeplanting heen. Het geheel wordt ook te bont en te gevarieerd. Respecteer de door de eeuwen heen gegroeide situatie en inventariseer deze nauwkeurig. Als er al veel stinzenplanten staan, kunnen op die plekken beter geen nieuwe stinzenplanten meer aangeplant worden. Beschouw dit als een volgroeide, rijpe situatie en continueer, of verbeter, het bestaande beheer. Deze buitenplaats vormt een authentieke genenbank én een specifieke - antropogeen beïnvloede - plantengemeenschap.
Op buitenplaatsen waar stinzenplanten zich beperken tot een of meerdere kleine plekken, of waar stinzenplanten van weleer praktisch verdwenen zijn, kan men opnieuw gaan aanplanten. Ook dit ligt in de historische lijn. Tenslotte is er gedurende de gehele negentiende eeuw tot in de eerste helft van de twintigste eeuw voortdurend getuinierd met stinzenplanten.
Het is hierbij voor de hand liggend, om de bestaande, vaak nog uit weinig soorten bestaande stinzenplanten, met enkele, historisch verantwoorde nieuwe soorten aan te vullen. Zeker op de nog lege lokaties op het terrein. Zoek daarvoor speciale - ook al weer historisch verantwoorde - plekken: onder bomen in gras, in een boomgroep, bij een vijver, bij theehuisjes, banken en bruggen, langs paden. Als regel geldt: dicht bij het huis wat meer soorten; verder weg slechts enkele soorten.
Richtlijnen ten aanzien van soort-keuze, kleurcombinaties, bloeifasen, aanleg en beheer vindt men in het boek 'Tuinieren met stinzenplanten' van Trudi Woerdeman.

Vreugde van een vroege lente
is de ondertitel van genoemd boek. Een citaat in dit boek uit het dagboek van de zonnige lentedagen in de stinzenwei van De Warande vertelt lyrisch over de vreugdevolle beleving van bloeiende stinzenplanten. Een heilzame gelukservaring die rechtstreeks met bloemen en moeder aarde verbonden is! 2 april: de stinzenwei is nog steeds blauw van de sterhyacint. Al enkele dagen zie ik de schuchtere knopjes van de bosanemonen verschijnen. Maar vandaag schijnt de zon en gaan ze stralend open. Van de ene dag op de andere bloeien ze in witte wolken tussen al dat blauw. Ieder jaar worden de wolken witte anemonen weer groter, dwars door het blauw heen. Opeens wordt de stilte verbroken door de opgetogen roep van de tjif tjaf. Dit maakt mijn lentebeleving kompleet.

Praktijkvoorbeeld
Trudi Woerdeman is al jaren bezig met het gefaseerde uitvoeren van een aanvullende stinzenbeplanting in het parkbos (ca. 1820) van kasteel Hackfort te Vorden in opdracht van Natuurmonumenten.
Inderdaad was de achterliggende gedachte voor Natuurmonumenten om de bestaande stinzenbeplanting te versterken en uit te breiden en daardoor in het parkbos een hogere historische en ecologische waarde te creëren. En, niet in de laatste plaats, om het parkbos te revitaliseren door  de hoge, esthetische belevingswaarde van aanvullende stinzenbeplanting. Een stinzenbeplanting, die nauw samenhangt met de tegelijkertijd herstelde wandelpaden en uitzichten naar kasteel, watermolen, beekweiden en stromende beek.

Op Hackfort is een rijke stinzenbeplanting aanwezig, maar deze beperkt zich tot het voorplein. In de overige delen van het park zijn nog restanten. De bestaande stinzenplanten zijn geïnventariseerd.
Op bijzondere, lege plekken zijn stinzenplanten bijgeplant. Uitgangspunt waren de al aanwezige soorten op het voorplein, en de restanten in het park. Er is eerst geput uit eigen genetisch materiaal: sneeuwklokjes, bosanemonen en lenteklokjes.
Andere bollen zijn ingekocht, meest soorten die op het voorplein of bij het kasteel al aanwezig waren, zoals vingerhelmbloem, holwortel en de kleine sneeuwroem. Enkele soorten, en een nieuwe kleur blauw (Scilla bifolia) zijn erbij gekomen op nieuwe plekken.
Na de aanplant volgt het goede stinzenplantenbeheer en monitoring. Hoe ontwikkelt zich dit nieuwe ecosysteem? Het is de bedoeling dat de nieuwe aanplant weer net zo weelderig wordt als de stinzenrijkdom van het voorplein. Mogen vele wandelaars ieder voorjaar komen genieten van steeds kleuriger wordende voorjaarstapijten.
Op deze manier hoort aanplant van nieuwe stinzenbeplanting evenzeer bij het behoud van dit cultureel erfgoed.

Stinzenbeplanting voor nieuwe plekken
Zonder meer aan te bevelen voor toepassing buiten historische plekken: in stadsparken, heemtuinen, en niet te vergeten: waarom niet op al die nieuwe golfterreinen! Zo wordt een oude traditie vernieuwd.